Jos, of Jefke zoals ze hem in het rusthuis noemen. Een nonkeltje van een oud-burgemeester van ons dorp, Brecht. Iemand met wie ik zeker moest spreken, omdat hij nog vele verhalen van vroeger kent en ooit, lang geleden, secretaris was van Sint-Maria.
Zo gezegd, zo gedaan: ik naar Jefke. Een heerlijke, charismatische man, die eigenaardig genoeg nooit huwde. Wanneer ik hem vraag waarom hij alleen is gebleven, zegt hij dat het er nooit van is gekomen. Ik vraag bewust niet verder door en balanceer tussen dichtbij en te dichtbij. Opnieuw tref ik een uitzonderlijk open en eerlijke mens.
Jefke vertelt over de oorlog en hoe hij twee jonge kameraden voor zijn ogen zag verongelukken. Ze trapten op een obus in de beek, vlak bij zijn ouderlijk huis. Zijn verdriet is nog voelbaar wanneer hij erover spreekt.
Ook voel ik dat zijn hart nog in zijn hofke zit en dat hij het eigenlijk te vroeg vindt om aan zijn laatste halte te zijn toegekomen. Wanneer hij vertelt over zijn job als secretaris, lijkt het alsof hij daarover “moet” spreken. Maar wanneer hij over zijn ouders en zijn huis vertelt, groeit hij zienderogen: zijn ogen blinken en hij glimlacht.
Merci, Jef, om zo vrijuit te vertellen.